The Economist toest de prijs van de woningen af tegenover de inkomens en de huurprijzen en berekent op basis daarvan het langetermijngemiddelde. Daaruit blijkt dat ons land met stip aan kop staat inzake huizenprijzen. De conclusie is overigens niet nieuw. In 2010 berekende de OESO al dat Belgisch vastgoed per definitie 50 procent 'te duur' was. 

Op wereldvlak vindt België enkel Singapore (60 procent te duur) en Hong Kong (58 procent) voor zich. De huizenprijzen in de VS, waar het uiteenspatten van de vastgoedbel in 2006 zorgde voor de wereldwijde financiële crisis, zijn dan weer 19 procent ondergewaardeerd en zitten nu op het Duitse niveau. 

Ook in Fankrijk kennen de huizen een sterke overwaardering (47 procent). En ondanks stevige deuken op de Spaanse vastgoedmarkt, blijken ook de Spaanse hacienda's nog steeds 27 procent te duur. In Ierland zitten de vastgoedprijzen op de helft van hun kostprijs in 2007. Daar lijkt de neerwaartse beweging nu gestopt.

Het rapport betekent echter vooral slecht nieuws voor Nederland. Daar heeft men de voorbije jaren iets te creatief gebruik gemaakt met hypothecaire leningen. Gevolg: met een overwaardering van 32 procent zit Nederland opgezadeld met een heuse vastgoedzeepbel. Ervaring (cf. VS; Ierland) leert dat dit soort zeepbellen een behoorlijk negatieve weerklank kent in de algemene economie.